Het zal niet gemakkelijk zijn voor jullie de komende jaren. Enerzijds is er de charme van Brussel (- haar tolerantie, haar al bij al gemoedelijke omgangsvormen)… en dat moet je zien te behouden. Maar anderzijds is er een ongelooflijk mismanagement dat al jaren aansleept… en dat weten jullie ongetwijfeld ook, mismanagement dat trouwens deels structureel verankerd is.

Ik wil het zeer concreet houden. De vele vuilnis op straat (- en hoe maak je mensen duidelijk dat je zo maar geen blikjes en lege flessen op straat gooit, als de mensen het al jaren ongestraft doen?); de toename van drugsdealing (- en hoe zal je dit bekampen als steeds meer gezinnen inkomensverlies lijden?); de sociale-woningennood (- terwijl je tegelijk ook een middenklasse moet trachten in stad te houden).

  1. Je zal besparen… maar aan veel zware onkosten kan je niet raken en de realisatie van sommige fusies valt soms ook niet volledig onder je bevoegdheid: ambtenaren op soms overbevolkte plaatsen en andere op onderbevolkte plaatsen, een schrijnend fenomeen in sommige gemeenten die mede partners zouden moeten worden voor het welslagen van sommige fusies. Gemeentelijke bevoegdheden die je soms best naar het Gewest zou halen, met zwaardere onkosten voor het Gewest als gevolg (en quid met latere pensioenkosten in zo’n geval)…

Indien ik een deel van diezelfde problemen zou hebben in de verenigingen waarvan ik in de raad van beheer zit, dan zou het me echt meer dan 3 dagen tijd vergen om ze op te lossen. Jullie zijn harde werkers, akkoord, maar jullie kwamen daarmee klaar voor het gehele gewest in drie dagen? Ik hoop dat er heel wat voorbereidend werk gebeurd is in de 600 dagen die eraan voorafgingen… Dan hadden die 600 dagen iets meer zin…

Het weinige dat ik van je beleidsverklaring gelezen heb, maakt me enerzijds blij… Oef, denk ik dan: er is een regering. Maar anderzijds zit mijn hoofd vol vraagtekens. Ik wou dat even kwijt…

 

Voorstel van minister Van Bossuyt: “Syriërs in een asielprocedure die kiezen voor vrijwillige terugkeer kunnen rekenen op 5.000 euro re-integratiesteun. Wie langer in de procedure blijft, ziet die steun geleidelijk afnemen. Wie momenteel illegaal in het land is en wil terugkeren, krijgt nog 3.000 euro.” Blijkbaar zou dit met Europees geld gebeuren.

Zelf heb ik ooit met terugkeerpremies te maken gehad, nl. eind jaren 80. De minister van Tewerkstelling had toen aan het Koninklijk Commissariaat gevraagd om de efficiëntie van de toen toegekende terugkeerpremies te bestuderen. De grote les die op de studie volgde, was dat je een migrant moet zien als een mens is die zijn  levensstandaard wil verbeteren voor zichzelf of voor zijn kinderen. De vraag voor de migrant wordt dan: is zo’n premie voor mij en mijn gezin een positieve of een negatieve zaak? De overheid moet zich ook afvragen: Wat zijn eventuele neveneffecten bij invoering van zo’n premie?

  1. Eind jaren 80 waren vooral mensen aan de terugkeerpremie geïnteresseerd die eigenlijk al van plan waren om terug te keren. Het ging om gevestigde eerste-generatie migranten (wat nu niet het geval is), kort voor hun pensioen.
  2. In het geval van Van Bossuyt gaat het om andere mensen, niet om gevestigde migranten. Mijn advies zou dan zijn: Redeneer ook hier alsof je zelf betrokken partij zou zijn. Zal je de premie nemen als je veel kans op erkenning als vluchteling hebt? Neen. Je zal het eventueel doen als je hopeloos in de rats zit. Ja, dan zal je waarschijnlijk de premie aanvragen, tenzij je het in Syrië helemaal niet ziet zitten. Ik kan hier niets voorspellen. Ben benieuwd wat het effect zal zijn.
  3. En quid mensen in de illegaliteit? Ik heb mensen in de illegaliteit zien terugkeren omdat ze een 1500 euro meekregen. Dus, ja, 3000 euro zou een effect kunnen hebben. Maar het zal bij de meest dynamischen zijn, tussen 20 en 35 jaar, die zich hier steeds maar gefrustreerder en depressiever voelen worden. Of dit echt een effect zal hebben? Ben benieuwd.
  4. Kunnen er eventueel neveneffecten zijn? Een neveneffect zou kunnen zijn dat die premie als een soort retour-ticket “verkocht” wordt bij het ronselen in een land van herkomst, iets wat bij de prijs van de tocht in mindering kan worden gebracht als succes uitblijft. Maar misschien is dit te ver gezocht.

Benieuwd of dit allemaal vooraf goed bestudeerd werd.

Het middenveld werd de laatste decennia vanuit 2 kanten aangevallen: vanuit de overheid en vanuit de media. Ondertussen zijn daar de sociale media bijgekomen, die zogenaamd de media dichter bij de concrete mens gebracht hebben. Resultaat: toeval of niet, de vereenzaming heeft bij veel mensen meer dan vroeger toegeslagen. Meer dan vroeger stelt men vast dat individuele mensen vereenzamen en zich zelfs gedwongen  voelen hun kwetsbaarheid maximaal te etaleren, een noodkreet om begrepen te worden.

Wat is gebeurd? De overheid had de indruk gekregen dat haar invloed op de mensen – in haar ogen ten onrechte – ingeperkt werd door de middenveldorganisaties. Te veel middenveldorganisaties hadden zich inderdaad iets te veel van hun oorspronkelijke opdracht afgekeerd en waren uitgegroeid tot kanalen voor cliëntelisme. Van hun kant dachten de media dat zij zelf de meest geëigende kanalen waren niet alleen om de mensen te informeren, maar ook om de mensen een gemeenschapsgevoel bij te brengen. In het beste geval heeft dit geleid tot ‘ingebeelde gemeenschappen’, en in het geval van de sociale media zelfs tot afgesloten, helaas soms zelfs zeer polariserende bubbels.

Eenzaamheid en latente agressiviteit zijn gaan toenemen, én polarisaties. Toeval?

Wat Foyer bepleit is een terugkeer tot valorisatie van reële gemeenschapsvorming, aangepast aan onze samenleving, dus met ruimte voor pluralisme. Gemeenschapsvorming, waar mensen van vlees en bloed elkaar vinden en bij elkaar terecht kunnen. Het zal de overheid ten goede komen, die meer met haar kerntaken zal kunnen bezig zijn: de fysieke veiligheid van de mensen en de kwaliteit van haar onderwijs. En het zal de media meer ruimte geven om zich op voldoende afstand te houden van de sociale media en om niet mee te moeten concurreren met sommige sociale media voor de gunst van de kijker die op zoek is naar entertainment- en informatie.

Het middenveld werd de laatste decennia vanuit 2 kanten aangevallen: vanuit de overheid en vanuit de media. Ondertussen zijn daar de sociale media bijgekomen, die zogenaamd de media dichter bij de concrete mens gebracht hebben. Resultaat: toeval of niet, de vereenzaming heeft bij veel mensen meer dan vroeger toegeslagen. Meer dan vroeger stelt men vast dat individuele mensen vereenzamen en zich zelfs gedwongen  voelen hun kwetsbaarheid maximaal te etaleren, een noodkreet om begrepen te worden.

Wat is gebeurd? De overheid had de indruk gekregen dat haar invloed op de mensen – in haar ogen ten onrechte – ingeperkt werd door de middenveldorganisaties. Te veel middenveldorganisaties hadden zich inderdaad iets te veel van hun oorspronkelijke opdracht afgekeerd en waren uitgegroeid tot kanalen voor cliëntelisme. Van hun kant dachten de media dat zij zelf de meest geëigende kanalen waren niet alleen om de mensen te informeren, maar ook om de mensen een gemeenschapsgevoel bij te brengen. In het beste geval heeft dit geleid tot ‘ingebeelde gemeenschappen’, en in het geval van de sociale media zelfs tot afgesloten, helaas soms zelfs zeer polariserende bubbels.

Eenzaamheid en latente agressiviteit zijn gaan toenemen, én polarisaties. Toeval?

Wat Foyer bepleit is een terugkeer tot valorisatie van reële gemeenschapsvorming, aangepast aan onze samenleving, dus met ruimte voor pluralisme. Gemeenschapsvorming, waar mensen van vlees en bloed elkaar vinden en bij elkaar terecht kunnen. Het zal de overheid ten goede komen, die meer met haar kerntaken zal kunnen bezig zijn: de fysieke veiligheid van de mensen en de kwaliteit van haar onderwijs. En het zal de media meer ruimte geven om zich op voldoende afstand te houden van de sociale media en om niet mee te moeten concurreren met sommige sociale media voor de gunst van de kijker die op zoek is naar entertainment- en informatie.

Het middenveld werd de laatste decennia vanuit 2 kanten aangevallen: vanuit de overheid en vanuit de media. Ondertussen zijn daar de sociale media bijgekomen, die zogenaamd de media dichter bij de concrete mens gebracht hebben. Resultaat: toeval of niet, de vereenzaming heeft bij veel mensen meer dan vroeger toegeslagen. Meer dan vroeger stelt men vast dat individuele mensen vereenzamen en zich zelfs gedwongen  voelen hun kwetsbaarheid maximaal te etaleren, een noodkreet om begrepen te worden.

Wat is gebeurd? De overheid had de indruk gekregen dat haar invloed op de mensen – in haar ogen ten onrechte – ingeperkt werd door de middenveldorganisaties. Te veel middenveldorganisaties hadden zich inderdaad iets te veel van hun oorspronkelijke opdracht afgekeerd en waren uitgegroeid tot kanalen voor cliëntelisme. Van hun kant dachten de media dat zij zelf de meest geëigende kanalen waren niet alleen om de mensen te informeren, maar ook om de mensen een gemeenschapsgevoel bij te brengen. In het beste geval heeft dit geleid tot ‘ingebeelde gemeenschappen’, en in het geval van de sociale media zelfs tot afgesloten, helaas soms zelfs zeer polariserende bubbels.

Eenzaamheid en latente agressiviteit zijn gaan toenemen, én polarisaties. Toeval?

Wat Foyer bepleit is een terugkeer tot de valorisatie van reële gemeenschapsvorming, aangepast aan onze samenleving, dus met ruimte voor pluralisme. Gemeenschapsvorming, waar mensen van vlees en bloed elkaar vinden en bij elkaar terecht kunnen. Het zal de overheid ten goede komen, die meer met haar kerntaken zal kunnen bezig zijn: de fysieke veiligheid van de mensen en de kwaliteit van haar onderwijs. En het zal de media meer ruimte geven om zich op voldoende afstand te houden van de sociale media en om niet mee te moeten concurreren met sommige sociale media voor de gunst van de kijker die op zoek is naar entertainment- en informatie.

Musa al-Gharbi, Amerikaans socioloog, behoort tot de sociaal wetenschappers zoals ik ze het liefst aan het werk zie. Hij doet geen beroep op allerlei ideologisch geïnspireerde snufjes, die dan een tijdje trendy zijn, maar herbekijkt met vernieuwde aandacht de op data gebaseerde analyses die voorgangers gemaakt hebben en waarvan de op selectie gebaseerde interpretatie mainstream geworden is. Zo maakt hij een zeer scherpzinnige analyse, gewoon al door af te stappen van een discours waarbij men continu de 1% rijksten in de VS afzet tegen de 99% anderen, en die analyse aan te vullen met een invalshoek waarbij men zich niet beperkt tot de 1% allerrijksten, maar dit uitbreidt tot de 20% rijkere maatschappelijke bovenlaag. Dit creëert een nieuw inzicht, zowel over die 1%, als over de 19% die volgen als over de 80% anderen, en hun onderlinge verhouding. Het is in een Opinie van Joël De Ceulaer (JDC) in De Morgen (10 januari 2026) dat naar dit zeer interessante nieuwe inzicht verwezen wordt.

Meestal schrijft men – terecht – dat de rijkste 1% in de wereld een kwart van de rijkdom in de wereld bezit. Maar even terecht – merkt al-Gharbi op – kan men schrijven dat in de VS 20% driekwart van alle rijkdom in de VS bezit. Vermoedelijk is die verhouding ook op West-Europa van toepassing.

Wat blijkt het verschil te zijn bij de 20% rijkeren tussen de 1% allerrijksten en de 19% die er onmiddellijk op volgen? Financieel blijkt tussen die 2 groepen een enorme kloof te bestaan, groter dan tussen die 19% en de 80% die erop volgen. Maar in het publieke domein en op het vlak van het publieke discours zijn het die 1% en die 19% die de toonzetters zijn. Niet de 80%, die weliswaar afwezig zijn waar het om de publieke normzetting gaat, maar die zich wel uiten doorheen de uitslagen bij verkiezingen.

In het publieke debat en in de normzetting verdedigen de 1% allerrijksten de prioriteit van het  financieel kapitaal, terwijl de 19% die erop volgen de prioriteit van het symbolisch kapitaal (kunst, cultuur, opleiding) verdedigen. Beide groepen, de 1%-ers en de 19%-ers genieten echter even gelijkmatig van maatschappelijk prestige, iets waartoe de 80% anderen zeer moeilijk toegang vinden. Dit heeft als gevolg dat de polarisatie in het publieke discours zich in het Westen meestal afspeelt tussen de culturele elite en de financiële elite.

Gelet op de veel geringere financiële afstand tot de 80% anderen vereenzelvigt de culturele elite (d.i. de 19%-ers) zich meestal eerder met de minder begoeden en gaat ze vooral in het verzet tegen de 1% allerrijksten. Tot verbazing van de culturele elite (d.i. de 19%-ers) heeft een grote groep bij de 80% minder begoeden echter meer vertrouwen in de 1% allerrijksten.

Hoe kan zoiets verklaard worden? De reden is dat een traject en promotie in termen van financieel kapitaal meer aan een primaire behoefte bij de betrokkenen tegemoet komt en als symbolisch kapitaal (opleiding, taal en culturele uiting) als niet minder onbereikbaar ervaren wordt dan het financieel kapitaal. Gelet op de onbereikbaarheid en soms zelfs het misprijzen dat sommige vertegenwoordigers van het symbolisch kapitaal tonen voor het cultureel kapitaal van een grote groep van de 80%-ers, schenken die laatsten hun vertrouwen liever aan de 1% allerrijksten (die zich op vlak van symbolisch kapitaal vaak op hun niveau bewegen) dan aan de culturele elite.

De 1% financiële kapitalisten krijgen het zodoende vaak gemakkelijk om hun pijlen te richten op het intellectueel discours van de symboolkapitalisten. “Dat figuren zoals Trump, die tot de financiële elite behoren, scoren met een anti-elitair discours, is minder paradoxaal dan het lijkt. De ene elite is de andere niet.” (JDC)

Laten we het toegeven: er is vaak een kloof tussen de culturele elite (met haar symbolisch kapitaal) en een grote groep tussen de 80%-ers, een kloof in empathie, taalgebruik en vormen van expressie. En ja, dit komt in het beste geval over als wereldvreemd, in het slechtste geval soms als zeer hautaine bij precies die mensen die de culturele elite beweert te verdedigen. Dit verdient meer aandacht in cultureel-elitaire kringen, als men het tenminste goed meent met de meest maatschappelijk gediscrimineerden onder de 80% anderen.

 

Musa al-Gharbi, Amerikaans socioloog, behoort tot de sociaal wetenschappers zoals ik ze het liefst aan het werk zie. Hij doet geen beroep op allerlei ideologisch geïnspireerde snufjes, die dan een tijdje trendy zijn, maar herbekijkt met vernieuwde aandacht de op data gebaseerde analyses die voorgangers gemaakt hebben en waarvan de op selectie gebaseerde interpretatie mainstream geworden is. Zo maakt hij een zeer scherpzinnige analyse, gewoon al door af te stappen van een discours waarbij men continu de 1% rijksten in de VS afzet tegen de 99% anderen, en die analyse aan te vullen met een invalshoek waarbij men zich niet beperkt tot de 1% allerrijksten, maar dit uitbreidt tot de 20% rijkere maatschappelijke bovenlaag. Dit creëert een nieuw inzicht, zowel over die 1%, als over de 19% die volgen als over de 80% anderen, en hun onderlinge verhouding. Het is in een Opinie van Joël De Ceulaer (JDC) in De Morgen (10 januari 2026) dat naar dit zeer interessante nieuwe inzicht verwezen wordt.

Meestal schrijft men – terecht – dat de rijkste 1% in de wereld een kwart van de rijkdom in de wereld bezit. Maar even terecht – merkt al-Gharbi op – kan men schrijven dat in de VS 20% driekwart van alle rijkdom in de VS bezit. Vermoedelijk is die verhouding ook op West-Europa van toepassing.

Wat blijkt het verschil te zijn bij de 20% rijkeren tussen de 1% allerrijksten en de 19% die er onmiddellijk op volgen? Financieel blijkt tussen die 2 groepen een enorme kloof te bestaan, groter dan tussen die 19% en de 80% die erop volgen. Maar in het publieke domein en op het vlak van het publieke discours zijn het die 1% en die 19% die de toonzetters zijn. Niet de 80%, die weliswaar afwezig zijn waar het om de publieke normzetting gaat, maar die zich wel uiten doorheen de uitslagen bij verkiezingen.

In het publieke debat en in de normzetting verdedigen de 1% allerrijksten de prioriteit van het  financieel kapitaal, terwijl de 19% die erop volgen de prioriteit van het symbolisch kapitaal (kunst, cultuur, opleiding) verdedigen. Beide groepen, de 1%-ers en de 19%-ers genieten echter even gelijkmatig van maatschappelijk prestige, iets waartoe de 80% anderen zeer moeilijk toegang vinden. Dit heeft als gevolg dat de polarisatie in het publieke discours zich in het Westen meestal afspeelt tussen de culturele elite en de financiële elite.

Gelet op de veel geringere financiële afstand tot de 80% anderen vereenzelvigt de culturele elite (d.i. de 19%-ers) zich meestal eerder met de minder begoeden en gaat ze vooral in het verzet tegen de 1% allerrijksten. Tot verbazing van de culturele elite (d.i. de 19%-ers) heeft een grote groep bij de 80% minder begoeden echter meer vertrouwen in de 1% allerrijksten.

Hoe kan zoiets verklaard worden? De reden is dat een traject en promotie in termen van financieel kapitaal meer aan een primaire behoefte bij de betrokkenen tegemoet komt en als symbolisch kapitaal (opleiding, taal en culturele uiting) als niet minder onbereikbaar ervaren wordt dan het financieel kapitaal. Gelet op de onbereikbaarheid en soms zelfs het misprijzen dat sommige vertegenwoordigers van het symbolisch kapitaal tonen voor het cultureel kapitaal van een grote groep van de 80%-ers, schenken die laatsten hun vertrouwen liever aan de 1% allerrijksten (die zich op vlak van symbolisch kapitaal vaak op hun niveau bewegen) dan aan de culturele elite.

De 1% financiële kapitalisten krijgen het zodoende vaak gemakkelijk om hun pijlen te richten op het intellectueel discours van de symboolkapitalisten. “Dat figuren zoals Trump, die tot de financiële elite behoren, scoren met een anti-elitair discours, is minder paradoxaal dan het lijkt. De ene elite is de andere niet.” (JDC)

Laten we het toegeven: er is vaak een kloof tussen de culturele elite (met haar symbolisch kapitaal) en een grote groep tussen de 80%-ers, een kloof in empathie, taalgebruik en vormen van expressie. En ja, dit komt in het beste geval over als wereldvreemd, in het slechtste geval soms als zeer hautaine bij precies die mensen die de culturele elite beweert te verdedigen. Dit verdient meer aandacht in cultureel-elitaire kringen, als men het tenminste goed meent met de meest maatschappelijk gediscrimineerden onder de 80% anderen.

 

Musa al-Gharbi, Amerikaans socioloog, behoort tot de sociaal wetenschappers zoals ik ze het liefst aan het werk zie. Hij doet geen beroep op allerlei ideologisch geïnspireerde snufjes, die dan een tijdje trendy zijn, maar herbekijkt met vernieuwde aandacht de op data gebaseerde analyses die voorgangers gemaakt hebben en waarvan de op selectie gebaseerde interpretatie mainstream geworden is. Zo maakt hij een zeer scherpzinnige analyse, gewoon al door af te stappen van een discours waarbij men continu de 1% rijksten in de VS afzet tegen de 99% anderen, en die analyse aan te vullen met een invalshoek waarbij men zich niet beperkt tot de 1% allerrijksten, maar dit uitbreidt tot de 20% rijkere maatschappelijke bovenlaag. Dit creëert een nieuw inzicht, zowel over die 1%, als over de 19% die volgen als over de 80% anderen, en hun onderlinge verhouding. Het is in een Opinie van Joël De Ceulaer (JDC) in De Morgen (10 januari 2026) dat naar dit zeer interessante nieuwe inzicht verwezen wordt.

Meestal schrijft men – terecht – dat de rijkste 1% in de wereld een kwart van de rijkdom in de wereld bezit. Maar even terecht – merkt al-Gharbi op – kan men schrijven dat in de VS 20% driekwart van alle rijkdom in de VS bezit. Vermoedelijk is die verhouding ook op West-Europa van toepassing.

Wat blijkt het verschil te zijn bij de 20% rijkeren tussen de 1% allerrijksten en de 19% die er onmiddellijk op volgen? Financieel blijkt tussen die 2 groepen een enorme kloof te bestaan, groter dan tussen die 19% en de 80% die erop volgen. Maar in het publieke domein en op het vlak van het publieke discours zijn het die 1% en die 19% die de toonzetters zijn. Niet de 80%, die weliswaar afwezig zijn waar het om de publieke normzetting gaat, maar die zich wel uiten doorheen de uitslagen bij verkiezingen.

In het publieke debat en in de normzetting verdedigen de 1% allerrijksten de prioriteit van het  financieel kapitaal, terwijl de 19% die erop volgen de prioriteit van het symbolisch kapitaal (kunst, cultuur, opleiding) verdedigen. Beide groepen, de 1%-ers en de 19%-ers genieten echter even gelijkmatig van maatschappelijk prestige, iets waartoe de 80% anderen zeer moeilijk toegang vinden. Dit heeft als gevolg dat de polarisatie in het publieke discours zich in het Westen meestal afspeelt tussen de culturele elite en de financiële elite.

Gelet op de veel geringere financiële afstand tot de 80% anderen vereenzelvigt de culturele elite (d.i. de 19%-ers) zich meestal eerder met de minder begoeden en gaat ze vooral in het verzet tegen de 1% allerrijksten. Tot verbazing van de culturele elite (d.i. de 19%-ers) heeft een grote groep bij de 80% minder begoeden echter meer vertrouwen in de 1% allerrijksten.

Hoe kan zoiets verklaard worden? De reden is dat een traject en promotie in termen van financieel kapitaal meer aan een primaire behoefte bij de betrokkenen tegemoet komt en als symbolisch kapitaal (opleiding, taal en culturele uiting) als niet minder onbereikbaar ervaren wordt dan het financieel kapitaal. Gelet op de onbereikbaarheid en soms zelfs het misprijzen dat sommige vertegenwoordigers van het symbolisch kapitaal tonen voor het cultureel kapitaal van een grote groep van de 80%-ers, schenken die laatsten hun vertrouwen liever aan de 1% allerrijksten (die zich op vlak van symbolisch kapitaal vaak op hun niveau bewegen) dan aan de culturele elite.

De 1% financiële kapitalisten krijgen het zodoende vaak gemakkelijk om hun pijlen te richten op het intellectueel discours van de symboolkapitalisten. “Dat figuren zoals Trump, die tot de financiële elite behoren, scoren met een anti-elitair discours, is minder paradoxaal dan het lijkt. De ene elite is de andere niet.” (JDC)

Laten we het toegeven: er is vaak een kloof tussen de culturele elite (met haar symbolisch kapitaal) en een grote groep tussen de 80%-ers, een kloof in empathie, taalgebruik en vormen van expressie. En ja, dit komt in het beste geval over als wereldvreemd, in het slechtste geval soms als zeer hautaine bij precies die mensen die de culturele elite beweert te verdedigen. Dit verdient meer aandacht in cultureel-elitaire kringen, als men het tenminste goed meent met de meest maatschappelijk gediscrimineerden onder de 80% anderen.

 

Musa al-Gharbi, Amerikaans socioloog, behoort tot de sociaal wetenschappers zoals ik ze het liefst aan het werk zie. Hij doet geen beroep op allerlei ideologisch geïnspireerde snufjes, die dan een tijdje trendy zijn, maar herbekijkt met vernieuwde aandacht de op data gebaseerde analyses die voorgangers gemaakt hebben en waarvan de op selectie gebaseerde interpretatie mainstream geworden is. Zo maakt hij een zeer scherpzinnige analyse, gewoon al door af te stappen van een discours waarbij men continu de 1% rijksten in de VS afzet tegen de 99% anderen, en die analyse aan te vullen met een invalshoek waarbij men zich niet beperkt tot de 1% allerrijksten, maar dit uitbreidt tot de 20% rijkere maatschappelijke bovenlaag. Dit creëert een nieuw inzicht, zowel over die 1%, als over de 19% die volgen als over de 80% anderen, en hun onderlinge verhouding. Het is in een Opinie van Joël De Ceulaer (JDC) in De Morgen (10 januari 2026) dat naar dit zeer interessante nieuwe inzicht verwezen wordt.

Meestal schrijft men – terecht – dat de rijkste 1% in de wereld een kwart van de rijkdom in de wereld bezit. Maar even terecht – merkt al-Gharbi op – kan men schrijven dat in de VS 20% driekwart van alle rijkdom in de VS bezit. Vermoedelijk is die verhouding ook op West-Europa van toepassing.

Wat blijkt het verschil te zijn bij de 20% rijkeren tussen de 1% allerrijksten en de 19% die er onmiddellijk op volgen? Financieel blijkt tussen die 2 groepen een enorme kloof te bestaan, groter dan tussen die 19% en de 80% die erop volgen. Maar in het publieke domein en op het vlak van het publieke discours zijn het die 1% en die 19% die de toonzetters zijn. Niet de 80%, die weliswaar afwezig zijn waar het om de publieke normzetting gaat, maar die zich wel uiten doorheen de uitslagen bij verkiezingen.

In het publieke debat en in de normzetting verdedigen de 1% allerrijksten de prioriteit van het  financieel kapitaal, terwijl de 19% die erop volgen de prioriteit van het symbolisch kapitaal (kunst, cultuur, opleiding) verdedigen. Beide groepen, de 1%-ers en de 19%-ers genieten echter even gelijkmatig van maatschappelijk prestige, iets waartoe de 80% anderen zeer moeilijk toegang vinden. Dit heeft als gevolg dat de polarisatie in het publieke discours zich in het Westen meestal afspeelt tussen de culturele elite en de financiële elite.

Gelet op de veel geringere financiële afstand tot de 80% anderen vereenzelvigt de culturele elite (d.i. de 19%-ers) zich meestal eerder met de minder begoeden en gaat ze vooral in het verzet tegen de 1% allerrijksten. Tot verbazing van de culturele elite (d.i. de 19%-ers) heeft een grote groep bij de 80% minder begoeden echter meer vertrouwen in de 1% allerrijksten.

Hoe kan zoiets verklaard worden? De reden is dat een traject en promotie in termen van financieel kapitaal meer aan een primaire behoefte bij de betrokkenen tegemoet komt en als symbolisch kapitaal (opleiding, taal en culturele uiting) als niet minder onbereikbaar ervaren wordt dan het financieel kapitaal. Gelet op de onbereikbaarheid en soms zelfs het misprijzen dat sommige vertegenwoordigers van het symbolisch kapitaal tonen voor het cultureel kapitaal van een grote groep van de 80%-ers, schenken die laatsten hun vertrouwen liever aan de 1% allerrijksten (die zich op vlak van symbolisch kapitaal vaak op hun niveau bewegen) dan aan de culturele elite.

De 1% financiële kapitalisten krijgen het zodoende vaak gemakkelijk om hun pijlen te richten op het intellectueel discours van de symboolkapitalisten. “Dat figuren zoals Trump, die tot de financiële elite behoren, scoren met een anti-elitair discours, is minder paradoxaal dan het lijkt. De ene elite is de andere niet.” (JDC)

Laten we het toegeven: er is vaak een kloof tussen de culturele elite (met haar symbolisch kapitaal) en een grote groep tussen de 80%-ers, een kloof in empathie, taalgebruik en vormen van expressie. En ja, dit komt in het beste geval over als wereldvreemd, in het slechtste geval soms als zeer hautaine bij precies die mensen die de culturele elite beweert te verdedigen. Dit verdient meer aandacht in cultureel-elitaire kringen, als men het tenminste goed meent met de meest maatschappelijk gediscrimineerden onder de 80% anderen.

 

Ik beweer niet dat ik het onderwerp beheers. Verre van. Maar ik geef graag een indruk weer – right or wrong – van wat ik tussen 1981 en 2025 op vlak van drugsbusiness heb zien gebeuren. Eigenlijk heb ik zoiets al van mijn eerste werkdag op Foyer actief gezien in de kanaalzone.

In de jaren 80 ging het om jongeren die dealden en consumeerden. Het ging meestal om hasj. De drugs werden uit Marokko (vaak uit de streek van Hoceima en omgeving) geïmporteerd over Frankrijk. Roubaix werd vaak vernoemd als een laatste  aanvoerpunt.. Het Vormingscentrum Foyer, een project deeltijdse vorming, was toen, in zijn beginjaren, een project dat op een klein, maar reëel deel van deze jongeren inspeelde. Ze moesten van hun “madame” een plaats vinden waarmee ze zouden bewijzen dat ze overdag van straat weg bleven en les zouden volgen. Het ging om jongeren waar men in het gewoon onderwijs geen weg mee wist. Er was een alternatief lessen-aanbod. Later werd dit project door de Vlaamse overheid afgeschaft. Hoe wereldvreemd moet je als minister en als administratie zijn om te denken dat je deze jongeren zo maar rechtstreeks in het onderwijs kon inschakelen, zonder daar onnoemelijke problemen te creëren. Dit terloops. Recent sprak een politie-commissaris me aan omdat hij vandaag met een soortgelijk project in zijn hoofd zit.

Rond 2000 zag ik een Albanese maffia opduiken die het begin van een structuur in de drugsbusiness in Brussel begon aan te brengen: met een hiërarchie: leadership, met luitenanten, grossisten, ravitailleerders, grotere en kleinere dealers, jong voetvolk dat door mee te helpen een centje bijverdiende.

De laatste jaren lijkt daar concurrentie te zijn in opgedoken, vanuit niet-Albanese maffieuze kringen… zowel vanuit Antwerpen als Marseille. Met territoriumtwisten als gevolg.

Als ik de zichtbaarheid van de drugsbusiness in de jaren 80 vergelijk met die van 2025, is het verschil toch wel schrijnend. De maffieuze professionalisering, het beroep op geweld en op het type wapens is gevaarlijk toegenomen, het type drugs is gevaarlijker geworden.

We staan voor een verarming van veel gezinnen in de komende jaren. Ik hoop dat de overheid beseft dat dit opportuniteiten creëert voor maffia’s. De aanpak moet tegelijk kordaat en concreet zijn, een duidelijk onderscheid makend tussen de top en het middenkader in de maffiastructuur (waar zware repressie een noodzaak is)  en het voetvolk (waar preventie en alternatief aanbod gewenst is). En misschien moet er betere sensibilisering komen bij de drugsconsumenten voor wat aan het gebeuren is.