Grootstedelijke jongeren – Politie: de explosieve cocktail


Johan Leman, 12 juni 2025

Mijn ervaringen beperken zich tot de Brusselse kanaalzone en vooral dit deel van de gemeente Molenbeek dat onderdeel is van die zone.

Wie de verhouding tussen jongeren en politie in zo’n gebied wil begrijpen, doet er goed aan om eerst de zone en haar jongeren te begrijpen. Daarom eerst in enkele ruwe borsteltrekken iets over de zone en de jongeren:

  • Het gaat om een (overwegend lage-klasse) aankomstzone, met een lange migratietraditie die tot in de 19de eeuw reikt. Dit betekent dat er elk jaar enkele duizenden nieuwkomers komen wonen, terwijl half zoveel succesvolle voormalige migranten de zone verlaten.
  • Het gaat om een voor ca 40% jonge bevolking met een mismatch tussen schoolse opleiding en omringende op kenniseconomie gerichte arbeidsmarkt.
  • Zoals op veel plaatsen ook daarbuiten, is drugsdealing er meer dan wenselijk een alternatief businessmodel.
  • Eenmaal dat men er goed geïntegreerd is, is er enerzijds veel sociale controle, maar ook veel onderlinge solidariteit.

Men moet ook op een faire wijze over het politiekorps spreken in zo’n zone:

  • Het politiekorps geraakt er nooit volledig ingevuld.
  • Een gevolg is dat er proportioneel minder politie voorhanden is voor meer (vormen van) criminaliteit dan elders. Een gevolg is ook dat er minder tijd beschikbaar is voor vorming en rustiger vormen van contactname met de bevolking.
  • Opvallend is verder dat er zoals bij sommige andere beroepen in Brussel een ondermaatse aanwerving onder de Brusselaars zelf plaats vindt, met als gevolg een over-vertegenwoordiging van  mensen die soms van ver buiten Brussel komen. Dit is geen kritiek op die mensen. Men is al blij dat ze komen. Maar het houdt o.a. ook een relatief groot verloop van professionelen in. (Probleem dat bv het onderwijs ook kent.)

Dat er weinig gerecruteerd wordt onder de lokale bevolking blijkt terug te gaan op een vicieuze cirkel. Bij de jongeren: vooroordelen over de politie en sociale druk om er niet bij te gaan. Je riskeert als een verklikker weggezet te worden. Trouwens, bijna alle uniformdragers, ook uit de hulpdiensten, worden door sommigen gezien als exponenten van een repressief apparaat. Bij de politie: gelet op het – niet totaal onbegrijpelijke – accent op ‘crime fighting’, worden alle jongeren in hun algemeenheid gemakkelijk gezien als potentiële verdachten…Je krijgt een explosieve cocktail.

Bij de politie zou er, gelet op de ernst van de problemen waarmee ze geconfronteerd kunnen worden, meer tijd moeten gaan naar adequate opleiding:  hoe de dynamieken in zo’n wijken in de vingers krijgen… Er zouden ook duidelijke instructies moeten komen over wat kan, wat niet kan, en de houding die best aangenomen wordt bij dubbelzinnig te interpreteren omstandigheden (- zoals de vraag: wanneer is crime fighting prioritair tegenover ander prioriteiten: bescherming van de mensen in de omgeving, bescherming eventueel van de misdrijfpleger…).

Het is een moeilijke kwestie. Om praktisch te zijn, zie ik ter stapsgewijze verbetering volgende mogelijke suggesties:  

1. Meer zeer doelgerichte binnen-Brusselse recrutering waarbij de gerecruteerden een hele tijd lang vooral in een dienende en beschermende en niet in  een crime-fighting rol geplaatst worden.  En dit mag expliciet in de aanwervingscampagne gemeld worden.

2. Bij recruten zeer bewust  investeren in een heel concrete omgang en kennismaking met de vele componenten van een wijkleven (verenigingen, scholen, moskeeën en kerken). Recent zijn  in die zin in Molenbeek interessante initiatieven genomen.

3. Heel gerichte communiceren bij de bevolking (en bv in de scholen) dat uniformdragers en doorsnee wijkbewoners een en dezelfde gemeenschappelijke interesse hebben: het goede samenleven.

Terug