De grote cesuur: Er is een ‘voor’ en een ‘na’ in het migrantendebat


Johan Leman, 21 oktober 2026

België heeft zijn eerste buitenlandse migranten, gekoppeld aan het thema arbeidsmarkt, zien aankomen in de tweede helft van de 19de eeuw: Nederlanders en Italianen. Daar heeft nadien een veelvoud van varianten in plaats gevonden, waarbij enkele vaste mechanismen speelden: push en pull factoren, ketting- en netwerkmigratie (- een voorbeeld: de eerste Colombiaanse kuisvrouwen werden in Brussel gevolgd door andere Colombiaanse kuisvrouwen), Centrum- Periferie bewegingen ( – een voorbeeld: mensen uit het vroegere Britse Gemenebest trokken naar het Verenigd Koninkrijk). Maar telkens ging het om een vorm van gastarbeid, in verschillende invullingen.

Toen het officiële Integratiebeleid gedacht werd eind jaren 80 vertrok het van een strikte definitie van wie een migrant was (- een voorbeeld: Congolezen kregen daar geen plaats in; zij heetten studenten te zijn), en politiek werd een strenge lijn getrokken waarbij integratiebeleid niets met migratiebeleid mocht te maken hebben en vice versa.

 

Er is echter iets grondig veranderd in de jaren 90: er heeft zich een migratie op gang getrokken, wereldwijd, die niet meer op de eerste plaats met de arbeidsmarkt te maken had, maar met de mondialisering en globalisering. Daardoor kregen sommige mensen de indruk dat er een “open grenzen” beleid gevoerd werd of dat er van “omvolking” mocht gesproken worden. Wat evident niet het geval is, maar die indruk leeft soms. Het volstaat nochtans om te kunnen tellen… En men is in alle geval gaan spreken van een integratiebeleid dat faalt. Wat weerom maar een halve waarheid is. Elk beleid faalt trouwens ergens, tenzij de omgeving stagneert.

 

Wat ten gronde gebeurd is, is dat voortaan migratiebeleid en integratiebeleid veel meer een eenheid geworden zijn dan vroeger, en dat je weliswaar van de wenselijkheid van een strikt migratiebeheersingsbeleid kan spreken dat vooral rekening houdt met de arbeidsmarktbehoeften en het zogenaamde draagvlak, maar dat dit ontoereikend is om de reële processen te beheersen. Dat “nine eleven” daar is komen tussen fietsen, heeft de zaken niet gemakkelijker gemaakt.

 

Eigenlijk zou daarover eens in een commissie een ernstig parlementair debat gevoerd moeten worden, dat de voeten op de grond houdt en zich niet verliest in slogans en losse flodders. Maar wellicht is het te vroeg en zijn we nog niet in een fase aangekomen waar dit mogelijk is. Nochtans zal het er ooit moeten komen…

Terug