Musa al-Gharbi, Amerikaans socioloog, behoort tot de sociaal wetenschappers zoals ik ze het liefst aan het werk zie. Hij doet geen beroep op allerlei ideologisch geïnspireerde snufjes, die dan een tijdje trendy zijn, maar herbekijkt met vernieuwde aandacht de op data gebaseerde analyses die voorgangers gemaakt hebben en waarvan de op selectie gebaseerde interpretatie mainstream geworden is. Zo maakt hij een zeer scherpzinnige analyse, gewoon al door af te stappen van een discours waarbij men continu de 1% rijksten in de VS afzet tegen de 99% anderen, en die analyse aan te vullen met een invalshoek waarbij men zich niet beperkt tot de 1% allerrijksten, maar dit uitbreidt tot de 20% rijkere maatschappelijke bovenlaag. Dit creëert een nieuw inzicht, zowel over die 1%, als over de 19% die volgen als over de 80% anderen, en hun onderlinge verhouding. Het is in een Opinie van Joël De Ceulaer (JDC) in De Morgen (10 januari 2026) dat naar dit zeer interessante nieuwe inzicht verwezen wordt.
Meestal schrijft men – terecht – dat de rijkste 1% in de wereld een kwart van de rijkdom in de wereld bezit. Maar even terecht – merkt al-Gharbi op – kan men schrijven dat in de VS 20% driekwart van alle rijkdom in de VS bezit. Vermoedelijk is die verhouding ook op West-Europa van toepassing.
Wat blijkt het verschil te zijn bij de 20% rijkeren tussen de 1% allerrijksten en de 19% die er onmiddellijk op volgen? Financieel blijkt tussen die 2 groepen een enorme kloof te bestaan, groter dan tussen die 19% en de 80% die erop volgen. Maar in het publieke domein en op het vlak van het publieke discours zijn het die 1% en die 19% die de toonzetters zijn. Niet de 80%, die weliswaar afwezig zijn waar het om de publieke normzetting gaat, maar die zich wel uiten doorheen de uitslagen bij verkiezingen.
In het publieke debat en in de normzetting verdedigen de 1% allerrijksten de prioriteit van het financieel kapitaal, terwijl de 19% die erop volgen de prioriteit van het symbolisch kapitaal (kunst, cultuur, opleiding) verdedigen. Beide groepen, de 1%-ers en de 19%-ers genieten echter even gelijkmatig van maatschappelijk prestige, iets waartoe de 80% anderen zeer moeilijk toegang vinden. Dit heeft als gevolg dat de polarisatie in het publieke discours zich in het Westen meestal afspeelt tussen de culturele elite en de financiële elite.
Gelet op de veel geringere financiële afstand tot de 80% anderen vereenzelvigt de culturele elite (d.i. de 19%-ers) zich meestal eerder met de minder begoeden en gaat ze vooral in het verzet tegen de 1% allerrijksten. Tot verbazing van de culturele elite (d.i. de 19%-ers) heeft een grote groep bij de 80% minder begoeden echter meer vertrouwen in de 1% allerrijksten.
Hoe kan zoiets verklaard worden? De reden is dat een traject en promotie in termen van financieel kapitaal meer aan een primaire behoefte bij de betrokkenen tegemoet komt en als symbolisch kapitaal (opleiding, taal en culturele uiting) als niet minder onbereikbaar ervaren wordt dan het financieel kapitaal. Gelet op de onbereikbaarheid en soms zelfs het misprijzen dat sommige vertegenwoordigers van het symbolisch kapitaal tonen voor het cultureel kapitaal van een grote groep van de 80%-ers, schenken die laatsten hun vertrouwen liever aan de 1% allerrijksten (die zich op vlak van symbolisch kapitaal vaak op hun niveau bewegen) dan aan de culturele elite.
De 1% financiële kapitalisten krijgen het zodoende vaak gemakkelijk om hun pijlen te richten op het intellectueel discours van de symboolkapitalisten. “Dat figuren zoals Trump, die tot de financiële elite behoren, scoren met een anti-elitair discours, is minder paradoxaal dan het lijkt. De ene elite is de andere niet.” (JDC)
Laten we het toegeven: er is vaak een kloof tussen de culturele elite (met haar symbolisch kapitaal) en een grote groep tussen de 80%-ers, een kloof in empathie, taalgebruik en vormen van expressie. En ja, dit komt in het beste geval over als wereldvreemd, in het slechtste geval soms als zeer hautaine bij precies die mensen die de culturele elite beweert te verdedigen. Dit verdient meer aandacht in cultureel-elitaire kringen, als men het tenminste goed meent met de meest maatschappelijk gediscrimineerden onder de 80% anderen.